Een tocht van uren plannen
Honderd kilometer is geen lange woon-werkrit. Het is een ander probleem: je bent vier uur onderweg, de radar reikt niet zo ver en het weer aan het eind van je rondje is niet het weer waarmee je vertrok.


Bert
Wielrenner
Bert is graag vroeg op pad. Helm op, bril recht en de polder in. Voor een bui die een kwartier later alweer voorbij is wil hij best even wachten.
Waar het je bij helpt
- Je laadt je route in als GPX of je tekent hem zelf. Plens loopt hem daarna punt voor punt af op het moment dat jij daar zou zijn. Een tocht van vier uur wordt dus als vier uur gelezen en niet als één weerbericht.
- Het zegt erbij tot hoe ver in je rit de radar meekijkt en waar het weerbeeld overgaat op een model. Dat is de grens tussen 'we weten waar die bui hangt' en 'we weten wat voor middag het wordt'.
- Onder het weer staat de rit in cijfers: afstand, rijduur, hoogtemeters en tegenwind, met de windstrook per stuk van de route erbij.
- Je ziet waar het licht opraakt, zodat je weet of je laatste half uur in het donker valt.
Het verschil met een woon-werkrit zit niet in de interface maar in de zekerheid. Bij twintig minuten weet de radar precies waar de buien zitten. Bij vier uur weet hij dat voor het eerste stuk. Daarna verandert de vraag van 'waar hangt hij' in 'wat voor dag wordt het'. Plens doet niet alsof dat hetzelfde is.
Zo zet je het klaar
Laad je route in
Een GPX uit je horloge, je routeplanner of je clubsite. Het bestand blijft op je telefoon; wat naar ons toe gaat is de lijn zelf plus de naam en het moment waarop je wilt starten. Zelf tekenen op de kaart kan ook.
Zet je starttijd, niet je aankomsttijd
Bij een tocht ligt het vertrek vast en niet de aankomst: je start om acht uur bij de clubkantine. Vanaf dat moment rekent Plens de hele lijn uit met de snelheid van je fiets.
Kijk vooraf en niet onderweg
Een tocht plan je de avond ervoor of een uur van tevoren. Doe dat ook: de vergelijking tussen acht uur en negen uur is op dat moment het meest waard, want daarna heb je hem toch al ingepland.
Wat echt iets oplevert
- Vertrouw het eerste deel van de rit meer dan het laatste. Alles binnen het eerste half uur staat op de radar; het uur daarna is grover en de rest komt uit een model.
- Kijk naar de windbalans voordat je aan een lus begint. Wat je op de heenweg tegen hebt, heb je op de terugweg mee. Op een rondje middelt dat naar bijna nul.
- Bij een rit uit en terug ligt dat anders: dan kies je zelf welke kant de tegenwind op moet. Het onaangename stuk hoort aan het begin, niet op kilometer negentig.
- Draag de tocht een dag van tevoren in en kijk 's ochtends nog een keer. De radar weet dan pas iets wat het model gisteren nog niet wist.
Een zaterdag in mei
Je hebt honderdtwintig kilometer in je horloge staan en wilt om acht uur weg. Je laadt de GPX in en ziet dat de eerste twee uur droog zijn, dat er rond elf uur iets over de route trekt en dat de zekerheid vanaf dat punt terugloopt.
Dat is een ander soort antwoord dan bij een woon-werkrit. Je krijgt geen betere vertrektijd voorgeschoteld, want een uur later vertrekken zet de bui alleen op een ander stuk van je rondje. Wat je wél weet is waar je zit als het gaat regenen en hoe lang het volgens de radar duurt.
Je vertrekt om acht uur, met je regenjack in de achterzak. Rond elf uur zit je koffie te drinken. Dat was ook een keuze. Die kon je nu alleen vooraf maken.
Verder lezen
- Vier uur onderweg: waarom een lange rit een ander probleem is
- Zo nauwkeurig is een buienradar: twintig minuten scherp
- Hoe het werkt
Ook voor
Je volgende tocht droger rijden?
Een account maken kost een e-mailadres en twee minuten.
Aan de slag